Hoofdstuk 59 Saulus leert wie Jezus is Saulus had gezien dat Stefanus gedood werd. Op een dag was Saulus met enkele vrienden op weg naar de stad Damascus. Hij wilde enkele discipelen van Christus in de gevangenis gooien. Handelingen 7:58; 9:1–2 Plotseling zag hij een helder licht uit de hemel komen. Hij viel op de grond. Toen hoorde Saulus de stem van Jezus, die vroeg waarom hij de heiligen pijn wilde doen. Saulus was bang. Hij vroeg Jezus wat hij moest doen. De Heiland zei dat Saulus naar Damascus moest gaan. Daar zou Saulus te horen krijgen wat hij moest doen. Handelingen 9:3–6 Saulus deed zijn ogen open, maar hij kon niet zien. Hij was blind. Zijn vrienden namen hem mee naar Damascus. Handelingen 9:8–9 Ananias, een discipel van Jezus Christus, woonde in Damascus. In een visioen zei Jezus tegen Ananias dat hij naar Saulus moest gaan. Handelingen 9:10–11 Ananias droeg het priesterschap. Hij legde zijn handen op het hoofd van Saulus en gaf hem een zegen zodat hij weer kon zien. Toen hij was genezen, liet Saulus zich dopen en kreeg hij de gave van de Heilige Geest. Handelingen 9:17–18 Saulus veranderde zijn naam in Paulus. Hij werd als apostel geroepen. Hij werd een zendeling voor de kerk. Hij schreef veel brieven. Hij ging naar veel landen om het evangelie te prediken. Handelingen 26:16–23; Romeinen 1:1